Skip to main content

Prenatale rechtsbescherming

De rechten van de vrouw en het kind worden steeds vaker tegen elkaar uitgespeeld. Het beleid mengt zich meer met het ongeboren menselijk leven en beperkt zo de keuzevrijheid van de zwangere persoon.

De laatste jaren worden de rechten van de vrouw regelmatig tegenover die van het kind gezet, met name die van het ongeboren leven. Dat gebeurt onder andere in de discussies over de prenatale rechtsbescherming, waarbij verschillende wetsvoorstellen ernaar streven om ‘ongeboren en toekomstige kinderen’ beter te beschermen tegen onveilige thuissituaties. Daarbij klinkt steeds vaker de oproep om al tijdens de zwangerschap maatregelen te kunnen nemen, zodat kinderen niet geboren worden in situaties van ernstige verontrusting of al voor de geboorte schade oplopen door bijvoorbeeld middelenverslaving.

Uiteraard vindt ZIJkant het essentieel dat elk kind alle kansen krijgt, en dat nieuw leven beschermd en ondersteund moet worden. Maar het belang van ongeboren leven tegenover dat van de moeder zetten, is een valse tegenstelling creëren. Deze twee zijn immers onlosmakelijk verbonden. Door de rechten en vrijheden van zwangere personen onder druk zetten ontstaat een nefaste situatie voor beide partijen. Verplichte opnames en behandelingen raken onmiddellijk aan de lichamelijke integriteit en zijn een verregaande aantasting van het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen. Dergelijke maatregelen kunnen enkel leiden tot extra stress, wat ook de foetus niet ten goede komt.

Verschillende experten geven aan dat gedwongen behandelingen zelden effectief zijn: verplicht afkicken helpt niet. Zorgnet Icuro is ook bezorgd dat de maatregelen contraproductief zullen werken: zeker de meest kwetsbare vrouwen zullen het contact met hulpverlening of overheidsinstanties net gaan mijden, en zo helemaal van de radar verdwijnen.

Daarnaast creëert het ingrijpen in het belang van de foetus een gevaarlijk hellend vlak. Prenatale rechtsbescherming zorgt ervoor dat het ongeboren menselijk leven als ‘kind’ wordt geclassificeerd, en dat de belangen van dit kind kunnen primeren op die van de zwangere vrouw. Zij wordt onzichtbaar gemaakt, en herleid tot ‘drager’. Ook al zegt de wetgever stellig niet te raken aan de abortuswet, voltrekt zich een mentale shift waarbij een vrouw niet meer baas is in eigen buik. Deze maatregelen lijken zich dan ook in te schrijven in een internationale trend – denk aan het terugdraaien van Roe vs Wade in de VS – waarbij vrouwenrechten met de voeten worden getreden.

ZIJkant volgt het standpunt van de Vrouwenraad, dat wordt gedeeld met belangrijke stemmen uit het middenveld zoals het Kinderrechtencommissariaat, Steunpunt Armoedebestrijding en de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap: eerder dan verregaande maatregelen te nemen die raken aan mensenrechten is het belangrijk om structureel te investeren in welzijn en zorg die vrijwillig, toegankelijk en op vertrouwen gebaseerd is.

Waarover gaat het?

  • In het Vlaams Regeerakkoord (2024-2029) en de Beleidsnota Welzijn (2024) wordt expliciet verwezen naar de wens om het toepassingsgebied van de jeugdhulp uit te breiden naar het ongeboren kind en diens aanstaande ouders. “Als er gevaar is voor het kind moet ondertoezichtstelling van het ongeboren kind (of zwangere vrouw) via gerechtelijke weg kunnen worden toegepast” (Beleidsnota Welzijn, p. 85). Minister Gennez bevestigt dit bij de aankondiging van het hervormingsplan voor de jeugdhulpsector. Beleidsmakers willen hiermee verzekeren dat kinderen vanaf het prille begin in veilige omstandigheden kunnen opgroeien.
  • Het federaal regeerakkoord (2025-2029) stelt dat via de Wet ter Bescherming van personen met een psychiatrisch aandoening zwangere vrouwen gedwongen kunnen
    worden opgenomen in de verslavingszorg.

Juridische obstakels

  • Het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (art. 8, EVRM) stelt dat iedereen het recht heeft op eerbiediging van een privé-, familie- en gezinsleven – zowel voor als na de geboorte. Dit recht wordt bevestigd in het VN-Verdrag over Burgerrechten en Politieke Rechten (art. 17) en in de Belgische Grondwet (art. 22). Tijdens de zwangerschap is de fysieke verbondenheid tussen de zwangere persoon en het ongeboren menselijk leven uniek. Elke gerechtelijke maatregel ter bescherming van het ongeboren leven raakt daarom direct de psychische en fysieke integriteit van de zwangere persoon en het recht op privéleven. Binnen het mensenrechtenkader geldt dat inmengingen alleen toelaatbaar zijn wanneer een legitiem doel aanwezig is. In de prenatale fase is het echter veel minder duidelijk welk legitiem doel kan worden ingeroepen. Er is nog geen kind, geen juridisch persoon, geen drager van mensenrechten.
  • De patiëntenrechten garanderen het recht op vrije keuze van de zorgverlener (art. 6), het recht op een vrije en geïnformeerde toestemming (art. 8) en het recht om iedere medische tussenkomst te weigeren (art. 8/1). Een gedwongen medische tussenkomst is dus een schending van de patiëntenrechten.
  • Er bestaat geen juridische grondslag voor het nemen van beschermende observatiemaatregelen specifiek ten aanzien van zwangere personen in het belang van het ongeboren menselijk leven. Het huidige wettelijk kader volstaat wel om in te grijpen in ernstige situaties en een zwangere persoon tegen zichzelf te beschermen, onder dezelfde voorwaarden als alle andere personen.

Bron en meer info: Dossier-prenatale-rechtsbescherming-Vrouwenraad.pdf