
Photo Erika Fletcher via Unsplash
In Baanbrekers brengen we portretten van professionals die met hun beroepskeuze buiten de lijntjes kleuren. Een brandweervrouw, een vroedman, een mannelijke kinderbegeleider, een vrouwelijke generaal-majoor: het blijven uitzonderingen, maar waarom eigenlijk? Van jongs af aan worden kinderen geconfronteerd met stereotiepe ideeën over welke beroepen ‘passen’ bij mannen en vrouwen en hoe ze zich moeten gedragen. Deze aangeleerde normen, vaak onbewust overgedragen, liggen aan de basis van latere beroepskeuzes. Het resultaat? Een onevenredige verdeling van genders in bepaalde sectoren en veel onbenut talent. Dit leidt tot een beperkte beeldvorming van wat mannen en vrouwen kunnen bereiken en perkt individuele ambities in. Met deze reeks tonen we hoe het ook anders kan. De verhalen van deze baanbrekers inspireren en zetten aan tot nadenken: wat als we beroepskeuzes niet langer laten bepalen door (gender)normen, maar door wat écht bij iemand past?
Mannen in de kinderopvang
In de Vlaamse kinderopvang is 98,5 procent van de begeleiders een vrouw. Dat mannelijke kinderbegeleiders zeldzaam zijn, is dus nog een understatement. De oorzaken hiervan zijn talrijker dan de mannen in de kinderopvang zelf. Het vrouwelijke imago van de sector en aangeleerde genderstereotypen spelen hier een belangrijke rol in. Een hardnekkig vooroordeel is dat kinderopvang ‘vrouwenwerk’ zou zijn, omdat vrouwen van nature beter geschikt zouden zijn om voor kinderen te zorgen. Dit idee stamt af van de traditionele rolverdelingen waarbij opvoedingstaken uitsluitend als een vrouwelijke verantwoordelijkheid werden beschouwd. De kinderopvang wordt traditioneel dan ook gezien als een verlengstuk van moederlijke taken.
Van logistiek medewerker naar kinderbegeleider

Tom hoort bij die 1,5 procent mannen in de kinderopvang. “Als kind wilde ik brandweerman of politieman worden. Als iemand me op mijn 23ste zou verteld hebben dat ik tien jaar later met volle goesting kinderbegeleider zou zijn, had ik dat nooit geloofd.”
“Mijn interesse in dit beroep groeide geleidelijk. Ik begon mijn carrière als logistiek medewerker in een crèche, maar spendeerde al snel meer tijd in de leefgroep dan in de keuken. Ik vond het fijn om met de kinderen te spelen en er voor hen te zijn wanneer ze het moeilijk hadden. Daar besefte ik: ik wil iets met kinderen doen, zowel op pedagogisch als op sociaal-emotioneel vlak. De eerste duizend dagen van een kind zijn zo belangrijk, en ik voelde dat ik daar op een positieve manier aan wilde bijdragen. Toen ik mijn beroepskeuze deelde met familie en vrienden, kreeg ik helemaal geen stigmatiserende commentaar. Als ze verbaasd reageerden, ging dat vooral over het feit dat ik koos voor zo’n intensieve job.”
Eén man in de crèche
“Toen ik besloot om kinderbegeleider te worden, was ik me ervan bewust dat ik als man een uitzondering zou zijn. Dat besefte ik al toen ik in het eerste middelbaar de richting voeding-verzorging studeerde. Er waren al heel weinig jongens aanwezig in dergelijke richtingen. Ook bij mijn latere studie – ik volgde een lerarenopleiding – had ik bijna enkel vrouwelijke medestudenten. Ik denk dat er een grote behoefte is aan een gerichte wervingscampagne die benadrukt dat mannen eveneens zorg- en pedagogische taken op zich kunnen nemen.”
“Toch heb ik doorheen mijn schooljaren en werkervaring een paar voorbeelden gezien van mannelijke kinderbegeleiders. Zo werkte er één man in mijn vorige crèche. Ik vond het best stoer om te zien hoe hij zijn rol invulde. Hij speelde ruwer, avontuurlijker en ‘mannelijker’ met de kinderen, iets wat ik van nature zelf ook zou doen. Dat was een duidelijk verschil met de vrouwelijke begeleiders, die over het algemeen rustiger waren. Hij werd voor mij een soort rolmodel, net als mijn grootmoeder, die haar hele leven onthaalmoeder was. Zij hebben me geïnspireerd, al zou ik ook zonder die rolmodellen kinderbegeleider geworden zijn.”

Het klein kind uithangen
“Op mijn werk ben ik de enige man. Dat vind ik soms wel jammer. Het is van belang dat er mannelijke kinderbegeleiders zijn, simpelweg omdat de maatschappij uit zowel mannen als vrouwen bestaat. Voor de kinderen lijkt het me essentieel dat iedereen zichzelf herkent. Zo is het bijvoorbeeld waardevol dat er zowel een witte vrouw als een zwarte vrouw in de opvang werken, zodat een zwart kindje zich ook kan identificeren. Ik denk dat dit voor mannelijke begeleiders niet anders is. Bovendien zien kinderen op die manier van jongs af aan dat mannen ook zorgende taken op zich kunnen nemen en zorgende beroepen kunnen uitoefenen, waardoor stereotypen langzaam verdwijnen.”
Er zou algemeen een mentaliteitsverandering in de maatschappij moeten komen, al denk ik wel dat dit al gaande is. Zo zie ik bijvoorbeeld veel papa’s die hun kinderen komen brengen en ophalen, wat ik als een eerste positieve stap beschouw. Sensibiliseringscampagnes kunnen helpen om meer mannen aan te trekken voor het beroep. Eerlijk gezegd snap ik niet waarom er nog steeds zo weinig mannen zijn. Je mag als man voor je beroep eens het klein kind uithangen, zalig toch!”
‘Beste dames’
“Toen ik net als kinderbegeleider werkte, was ik wel wat bezorgd over de vooroordelen van ouders, collega’s of leidinggevenden. Deze angst bleek echter ongegrond en is inmiddels volledig verdwenen. Een mama biechtte me wel ooit op dat ze eerst haar twijfels had over mijn kunnen, maar ze voegde er meteen aan toe: ‘Nu ik je zo bezig zie met de kinderen, vind ik dat je het ongelooflijk goed doet.’ Het is fijn om vast te stellen dat de vooroordelen die ze toen had volledig verdwenen zijn.”

Ook mijn collega’s maken soms wel eens al lachend opmerkingen over wat ik wel of niet kan als man, maar daar kan ik wel tegen. Ik vind het op zich niet erg om de enige man te zijn, maar de teamdynamiek wordt wel beïnvloed door het feit dat er zoveel vrouwen zijn. Dat merk je bijvoorbeeld in de onderlinge communicatie. Wat betreft genderstereotypering en inclusie is er op mijn werk nog ruimte voor verbetering. Zo krijgen we soms een WhatsApp-bericht met ‘beste dames’. Of kregen we tijdens de krokusvakantie een formulier mee waarop stond: ‘De mama’s die hun kind naar het werk willen meenemen, mogen dit formulier invullen.’ Ik heb er toen met pen ‘en de papa’s’ bijgeschreven. Het zit in zulke kleine dingen. Als we dit binnen de organisatie verbeteren, kunnen we dit hopelijk ook uitdragen naar de buitenwereld, zodat uiteindelijk meer mannen zich geroepen voelen om het beroep uit te oefenen.”
“Aan de andere kant merk ik ook dat ik bepaalde dingen anders doe, of beter kan dan mijn vrouwelijke collega’s. Zo voel ik beter aan wanneer de groep druk is en het tijd is om naar buiten te gaan, te bewegen, te lopen of te fietsen.”
Mijn boodschap
“Aan de mannelijke kindbegeleiders in spe: laat je niet afschrikken door het beeld dat de zorgsector een vrouwenwereld is. Volg je gevoel en je hart, want ook mannen hebben veel te bieden in dit beroep. Het is net heel ‘mannelijk’ om je eigen pad te volgen, ongeacht wat de maatschappij verwacht. Gewoon doen waar je goesting in hebt!”
Referentielijst
Agentschap Binnenlands Bestuur. (2024). Mannen in de kinderopvang: Hoe krijgen we meer mannen aan de slag in de kinderopvang? [Brochure]. Vlaanderen
MITEY. (z.d.). What we do. MITEY. Geraadpleegd op 26 maart 2025, van miteyuk.org/what-we-do/
Peeters, J. (2007). Including men in early childhood education: Insights from the European experience. NZ Research in Early Childhood Education, 10. Retrieved from www.researchgate.net/publication/237713315
VBJK. (2003). Werken met mannen en vrouwen in een gemengd team: Handleiding. VBJK, Expertisecentrum voor Opvoeding en Kinderopvang.


